Mardonius had geenszins lust in Attica te blijven, toen hij dat gehoord had. Vóór hij nu dat vernam, talmde hij in begeerte van de Atheners te hooren, wat zij doen zouden, en hij verwoestte en beschadigde het Attische land niet, daar hij steeds hoopte, dat zij tot een verdrag zou komen. Doch toen hij hen niet overreedde en de gansche toedracht vernomen had, trok hij terug, nog vóór Pausanias met zijn leger bij den Isthmus was gekomen en stak Athene in brand, en als er nog iets overeind stond van muren of gebouwen of tempels, wierp hij dat alles omver en vernielde het. Hij trok daarom weg, wijl het Attische land niet geschikt was voor de ruiterij, en werd hij bij een treffen overwonnen, dan was er geen terugweg behalve door de bergpassen, zoodat een klein aantal menschen hen terughouden kon. Hij had daarom besloten naar Thebae terug te wijken en slag te leveren in de buurt van een bevriende stad en een land voor de ruiterij geschikt.
14. Mardonius dan trok terug, en toen hij reeds op weg was kwam een andere tijding tot hem, dat een ander leger van duizend Lacedaemoniërs vooruitgetrokken was naar Megara, en dit vernemend overlegde hij of hij die niet volgens zijn wensch eerst kon vangen. Hij liet dus zijn leger omkeeren en voerde het tegen Megara en de ruiterij ging vooruit en reed het Megarische land plat. Dit land was het verst naar den zonsondergang gelegene, waarheen dit Perzische leger kwam.
15. Daarna kwam tijding tot Mardonius, dat de Hellenen op den Isthmus vereenigd waren. Zoo dan trok hij weer terug door Decelea. Want de Boeotische hoofden hadden de buren der Asopiërs tot zich geroepen, en deze wezen hem den weg naar Sphendaleës en van daar naar Tanagra; in Tanagra bleef hij den nacht over, en den volgenden dag naar Scolon zich wendend, was hij in het