Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen II (vert. v. Deventer 1893).pdf/343

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

dan niet aan Mardonius zeggen en aan de Perzen na hem in aanzien?" En de ander dan zeide daarop: „ gastvriend, wat van den god moet komen, kan geen mensch afwenden, want niet eenmaal wil er een hun gelooven, die de waarheid spreken. Vele der Perzen weten het, maar door noodzaak gebonden volgen wij. Maar dit is de grootste smart onder de menschen: veel te weten, doch niets te kunnen." Dit hoorde ik van den Orchomeniër Thersander, en daarbij nog dit, dat hij het dadelijk aan menschen verhaald had, vóór de slag bij Plataeae was geschied.

17. Terwijl Mardonius in Boeotië kampeerde, brachten alle anderen een leger aan en waren ook in Athene mede ingevallen, zoovelen onder de daar wonende Hellenen Medisch-gezind waren; de Phociërs alleen waren niet mede ingevallen: want dezen waren ook zeer met de Meden, doch niet vrijwillig, maar uit noodzaak. En niet veel dagen na de aankomst in Thebae kwamen duizend zwaargewapenden van hen, en hun aanvoerder was Harmocydes, een zeer gezien man onder de burgers. Toen ook dezen in Thebae waren gekomen, zond Mardonius ruiters en beval hen op zich zelf in de vlakte te kampeeren. En nadat zij dat gedaan hadden, kwam terstond de gansche ruiterij aan; daarop ging door het kamp der met de Meden vereenigde Hellenen het gerucht, dat Mardonius hen zou nederschieten, en ook door de Phociërs liep hetzelfde. Toen dan vermaande hen de veldheer Harmocydes met deze woorden: „ O Phociërs, duidelijk is, dat deze mannen ons aan een zekeren dood willen overleveren, belasterd als wij zijn door de Thessaliërs, naar ik gis; nu moet ieder van u een dapper man zijn. Want beter is in daad en verdediging het leven te eindigen, dan ons door den schandelijksten dood lijdelijk te