Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen II (vert. v. Deventer 1893).pdf/344

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

doen dooden. Maar laat dan menigeen van hen leeren, dat zij als barbaren moord tegen Helleensche mannen beraamden."

18. Zoo nu vermaande hij; en de ruiters toen zij hen omsingeld hadden, reden aan, als wilden zij hen dooden, en spanden hun bogen om ze af te schieten, en hier en daar schoot er ook wel een. En genen plaatsten zich tegen hen, aan alle kanten zich samen dringend en zoo dicht mogelijk tegen elkander aan. Toen keerden de ruiters om en reden weg. Ik kan niet zeker zeggen of zij op verzoek van de Thessaliërs gekomen waren om de Phociërs te dooden, doch genen tot tegenweer gereed ziend, vreesden ook zelf wonden te bekomen, en zoo dan terugreden, want zóó had Mardonius het hun bevolen, noch of hij hen op de proef wilde stellen, of zij moedig waren. Maar na de terugkeer der ruiters, zond Mardonius een heraut en zeide het volgende: „weest goedsmoeds, o Phociërs, want gij hebt u dappere mannen betoond, niet zooals ik vernomen had. En thans, voert met ijver dezen oorlog, want in weldaden zult ge zeker noch mij noch den koning overtreffen."

Dit nu geschiedde met de Phociërs.

19. De Lacedaemoniërs, toen zij in den Isthmus gekomen waren, kampeerden daar. Toen nu de overige goedgezinde Peloponnesiërs dit vernamen, en zij ook die de Spartanen zagen uittrekken, achtten zij het niet goed, in den tocht bij de Lacedaemoniërs achter te blijven. Zij trokken dan allen van den Isthmus op, toen de offerteekenen gunstig waren, en kwamen in Eleusis, en ook daar offerden zij en toen de teekens gunstig waren, trokken zij verder, de Atheners met hen, die uit Salamis overgestoken en bij Eleusis met hen vereenigd waren. In het Boeotische Erythrae gekomen, vernamen zij, dat de barbaren bij de