het gansche leger en Mardonius de grootste rouw om Masistius, en zij schoren zich zelf het haar en aan de paarden en de lastdieren, en hieven oneindig geklaag aan, want over gansch Boeotië ging de galm, daar zij den man verloren hadden na Mardonius èn bij de Perzen èn bij den koning het meest in aanzien.
25. De barbaren dan eerden op hun wijze den gestorven Masistius, doch de Hellenen, toen zij den aanval der ruiterij hadden afgewacht en teruggeslagen, vatten veel meer moed en eerst legden zij het lijk op een wagen en reden het langs de gelederen: en het lijk was waard om te zien om zijn grootte en schoonheid, en daarom dan ook deden zij dit: zij verlieten de gelederen en bekeken Masistius. Daarna besloten zij naar Plataeae af te dalen, wat de streek in Plataeae scheen hun veel geschikter om te kampeeren dan die in Erythrae, zoowel in andere dingen als ook in het betere water. Naar die streek dan en bij de bron Gargaphia in dat land besloten zij dat het 't beste wat heen te gaan en daar in orde geschaard te kampeeren. Zij namen dan de wapens op en rukten langs den voet van den Cithaeron Hysiae voorbij naar het Plataeïsche land, en daar gekomen schaarden zij zich in volken dicht bij de Gargaphische bron en het heiligdom van Androcrates den heros op niet hooge heuvels en effen land.
26. Bij deze plaatsing ontstond een groote woordenstrijd tusschen de Tegeaten en de Atheners, want beiden meenden zij zelf den eenen vleugel[1] te moeten hebben en zij voerden hun nieuwe en oude verrichtingen aan. Ten eerste nu zeiden de Tegeaten het volgende: „wij zijn altijd onder alle bondgenooten die plaats waardig gekeurd, zooveel gemeenschappelijke tochten der Peloponnesiërs
- ↑ d, i, den linkervleugel.