er geschiedden, zoowel vroeger als later, van dien tijd af, toen de Heracliden na den dood van Erystheus den inval in den Peloponnesus waagden: toen verkregen wij dat door de volgende zaak. Toen wij met de Achaeërs en de Ioniërs, die toen in den Peloponnesus woonden, naar den Isthmus optrokken en ons opstelden tegenover de aanvallers, toen, is het verhaal, verkondigde Hyllus,[1]dat de legers zich niet in het gevaar van een strijd behoefden te wagen, maar de Peloponnesiërs mochten uit hun eigen leger den dapperste uitkiezen en die zou met hem een tweegevecht leveren op bepaalde voorwaarden. De Peloponnesiërs besloten dit te doen en verbonden zich met een eed onder de volgende bepaling: als Hyllus den aanvoerder der Peloponnesiërs overwon, zouden de Heracliden tot hun vaderlijke bezittingen terugkeeren, doch werd hij zelf overwonnen, dan zouden de Heracliden teruggaan en het leger wegvoeren en in geen honderd jaar trachten in den Peloponnesus terug te keeren. Uit alle verbondenen nu werd Echemus, zoon van Aëropus, zoon van Phegeus, vrijwillig gekozen, onze aanvoerder en koning, en in het tweegevecht doodde hij Hyllus. Door deze daad hebben wij onder de Peloponnesiërs van toen andere groote eereambten verkregen, die wij nog bekleeden, en ook om altijd aanvoerder van den anderen vleugel te zijn, bij een gemeenschappelijken tocht. Tegen u, o Lacedaemoniërs, verzetten wij ons niet, doch wij geven u de keuze welken van beide vleugels gij aanvoeren wilt, en laten u aanvoeren, doch over den anderen vleugel, beweren wij, komt ons het bevel toe, evenals in den vroegeren tijd. En behalve om de verhaalde daad hebben wij meer recht op die plaats dan de Atheners.
- ↑ De zoon van Heracles, aanvoerder der Heracliden.