Want vele gelukkige kampen streden wij tegen u, mannen Spartanen, en vele ook tegen anderen. En dus is het billijk dat wij den anderen vleugel hebben eerder dan de Atheners, want zij kunnen niet op zulke daden wijzen als wij, noch van vroeger noch van later tijd."
27. Zij nu spraken dit, doch de Atheners antwoordden daartegen het volgende: „wij weten wel dat wij hier bijeen zijn voor den strijd tegen de barbaren en niet voor een strijd met woorden, doch nu de Tegeaat het noodig heeft gemaakt om de oude en nieuwe belangrijke daden te noemen door ieder onzer in allen tijd verricht, ligt op ons de dwang u te verklaren, waarom het ons, die steeds dapper waren, als geërfd recht toekomt, eerder de eersten te zijn dan de Arcadiërs. Vooreerst, de Heracliden, wier aanvoerder dezen beweren in den Isthmus gedood te hebben, die hebben wij, toen zij verjaagd werden door alle Hellenen bij wie zij kwamen op hun vlucht voor de slavernij der Mycenaeërs, die hebben wij alleen opgenomen, en toen een eind gemaakt aan Eurystheus' overmoed, nadat wij met hen de toenmalige bewoners van den Peloponnesus overwonnen hadden. Vervolgens, toen de Argiven, met Polynices tegen Thebae opgetrokken, gedood waren en onbegraven nederlagen, trokken wij op tegen de Cadmeërs, en beweren dat wij de lijken heroverd hebben en te Eleusis in ons land begraven. En een groote daad hebben wij ook verricht tegen de Amazonen, die van de rivier de Thermodon weleer in het Attische land vielen, en in de strijden bij Troia bleven wij bij niemand achter. Evenwel, het baat niets die daden te vermelden: want die toen dap per waren, kunnen thans allicht slechter zijn, en de toen slechteren thans dapper. Genoeg dan van de oude daden. Doch zoo wij ook niets anders aanvoeren konden — zoo-