de Drie Koppen, door de Atheners de Eikekoppen genoemd worden. En de uitgezonden ruiters deden geen vergeefschen gang, want vijfhonderd lastdieren veroverden zij, die in de vlakte kwamen, graan brengend uit den Peloponnesus naar het leger, en ook de mannen, die de spannen volgden. En na verovering van dien buit doodden de Perzen zonder ontzien, noch een dier sparend, noch een mensch. Toen zij het dooden zat waren, namen zij het overgeblevene in hun midden en dreven het naar Mardonius en naar het kamp.
40. Na die daad brachten zij twee andere dagen door, en geen van beiden wilden zij den slag beginnen; want de barbaren rukten tot aan de Asopus om de Hellenen te verlokken, doch geen van beiden staken zij over. Mardonius' ruiterij evenwel maakte het den Hellenen voortdurend lastig, want de Thebanen, daar zij zéér Medischgezind waren, voerden den oorlog met ijver en waren altijd de voorsten tot aan het gevecht, maar dan waren het weder de Perzen en de Meden, die het overnamen en hun dapperheid toonden.
41. Gedurende die tien dagen nu gebeurde niets meer dan dat, maar toen de elfde dag gekomen was, sinds zij te Plataeae tegenover elkander lagen, en de Hellenen veel meer in aantal geworden waren en ook Mardonius zich ergerde over de rust, toen trad Mardonius, zoon van Gobryas, in gesprek met Artabazus, zoon van Pharnaces, die als weinige Perzen bij Xerxes gezien was. En bij hun overleg waren deze de meeningen: die van Artabazus, dat men ten spoedigste met het gansche leger moest opbreken en naar de vesting Thebae gaan, waar veel graan voor hen was bijeengebracht en voeder voor de lastdieren, en daar konden zij rustig verblijf houden en het volgende uitrichten: zij hadden immers