veel goud, veel gestempeld en ook ongestempeld, ook veel zilver en bekers: daarvan moesten zij zonder zuinigheid overal heen tot de Hellenen zenden, en onder de Hellenen vooral tot de eersten in de steden, en die zouden spoedig de vrijheid overgeven; doch geenszins moesten zij gevaar loopen met een slag. Zijn meening nu was dezelfde als die der Thebanen, daar ook hij veel beter onderricht was, doch die van Mardonius was heftiger en minder bedachtzaam en geenszins overleggend: want hij achtte zijn leger veel sterker dan het Helleensche, en men moest ten spoedigste slag leveren en niet dulden dat nog meer dan de reeds bijeengekomen Hellenen bijeenkwamen; de offers van Hegesistratus moest men laten varen en ze niet afdwingen, doch naar Perzische zede handelen en slag leveren.
42. Toen hij nu zoo oordeelde, sprak niemand tegen, zoodat zijn meening overwon, want hij had het opperbevel van den koning ontvangen en niet Artabazus. Hij liet dan de hoofden der afdeelingen roepen, en de aanvoerders der Hellenen bij hem, en vroeg hen of zij ook een orakel kenden aangaande de Perzen, dat dezen in Hellas zouden omkomen. Toen nu de opgeroepenen zwegen, de eenen daar zij de orakels niet kenden, de anderen daar zij ze kenden doch het niet veilig achtten ze te zeggen, sprak Mardonius zelf: „wijl gij nu of niets weet of niet durft spreken, zal ik spreken, daar ik het goed weet. Er is een orakel, dat de Perzen in Hellas gekomen den tempel van Delphi plunderen moeten en na den roof allen omkomen. Wij nu weten dat en daarom zullen wij noch tegen dien tempel optrekken, noch trachten hem te plunderen, en door die reden zullen wij niet omkomen. En daarom, zoovelen onder u den Perzen welgezind zijn, verheugt u daarover, dat wij de Hellenen overwinnen zullen. " Dit sprak hij en kondigde hun daarna aan, alles