den als een pand en verbied u ze aan iemand anders te zeggen dan aan Pausanias, opdat ge mij ook niet in het verderf brengt; want niet had ik gesproken, ware ik niet grootelijks bezorgd voor geheel Hellas; want zelf ben ik van afkomst en oorsprong een Helleen en niet gaarne zou ik Hellas in slavernij in plaats van vrij zien. Ik zeg u daarom, dat de offerteekens niet gunstig konden worden voor Mardonius en het leger, want lang reeds hadt ge anders gestreden. Doch nu heeft hij besloten om de offerteekens niet te geven, doch met het doorbreken van den dag slag te leveren. Want hij vreest dat ge nog talrijker zult worden, naar ik gis. Houdt u dus daarvoor gereed. Maar mocht Mardonius den slag verschuiven en niet leveren, blijft dan en wacht, want voor weinige dagen slechts is er nog spijs. Indien deze oorlog naar uw wensch afloopt, dan moogt ge ook wel over mijn bevrijding denken, daar ik ter wille van de Hellenen uit ijver zulk een gevaarlijke daad verricht heb, uit verlangen u Mardonius' plan te melden, dat niet de barbaren plotseling op u vallen, daar gij hen nog niet verwachttet. Ik ben Alexander de Macedoniër."
Hij nu sprak dit en reed weder terug naar het kamp en naar zijn post.
46. De veldheeren der Atheners nu gingen naar den rechtervleugel en zeiden aan Pausanias, wat zij van Alexander gehoord hadden. En hij door dit bericht, de Perzen vreezend, sprak het volgende: „daar nu de slag in den ochtend geschiedt, moet gij Atheners tegenover de Perzen uw plaats nemen, en wij tegenover de Boeotiërs en de tegenover u geplaatste Hellenen, om deze reden: gij kent de Meden en hun wijze van strijden, want in Marathon vocht ge tegen hen, doch wij hebben geen ervaring van die mannen en kennen hen niet, want