Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen II (vert. v. Deventer 1893).pdf/362

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

roem, dat ge een heraut tot ons zenden zoudt om ons uit te dagen, en verlangen met de Perzen alleen te strijden, en terwijl wij daartoe bereid zijn, vinden wij, dat gij niets van dien aard zegt doch veeleer terugkruipt. Thans daarom, nu gij niet begint met dien voorslag, beginnen wij. Waarom zouden wij niet, gij, daar gij voor de dappersten geldt, voor de Hellenen en wij voor de barbaren strijden, evenveel tegen evenveel? En indien ook de anderen moeten vechten, laten die dan naderhand strijden, doch zoo gij dat niet wilt, maar onze strijd genoeg is, laat ons dan het uitvechten, en wie van ons beiden overwinnen, laten die met hun gansche leger overwinnaar zijn."

49. Hij nu sprak dit en wachtte eenigen tijd, doch toen niemand iets antwoordde, ging hij heen en na zijn terugkomst meldde hij Mardonius, wat hem overkomen was. Deze nu, in groote vreugde en trotsch op zijn kouden zegepraal, zond de ruiterij op de Hellenen af. Toen de ruiters aangereden waren, kwelden zij het gansche Helleensche leger met werpen van spiesen en schieten van pijlen, daar zij schutters te paard waren en niet te naderen; en de Gargaphische bron, waaruit het gansche Helleensche leger water haalde, die vernielden zij en wierpen ze dicht. Bij de bron nu waren alleen de Lacedaemoniërs geplaatst, doch voor de andere Hellenen, zooals zij ieder hun plaats hadden, lag de bron ver af, maar de Asopus dicht bij. Doch van de Asopus afgehouden, moesten zij zoo dan naar de bron gaan, want uit de rivier konden zij geen water halen door de ruiters en hun pijlen.

50. Toen dit zoo geschiedde kwamen de veldheeren der Hellenen, daar het leger van het water beroofd was en door de ruiterij gekweld werd, bijeen om deze en andere dingen, gaande tot Pausanias op den rechtervleugel. Want nog andere dingen dan deze verontrustten hen nog méér,