Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen II (vert. v. Deventer 1893).pdf/364

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

de ruiterij naar de stad der Plataeërs, en kwamen op hun vlucht bij den tempel van Hera; deze ligt vóór de stad der Plataeërs, twintig stadiën van de bron Gargaphia verwijderd; en daar gekomen maakten zij halt vóór den tempel.

53. En zij dan kampeerden bij den tempel van Hera, doch Pausanias, toen hij hen uit het kamp zag weggaan, gaf ook aan de Lacedaemoniërs het bevel hun wapenen op te nemen en de vooruitgeganen te volgen, meenende dat dezen naar de afgesproken plaats trokken. Toen waren de andere hoofden bereid om Pausanias te gehoorzamen, doch Amompharetus, zoon van Poliades, aanvoerder van de afdeeling uit Pitana, beweerde niet te willen vluchten voor de vreemdelingen en niet uit vrije beweging Sparta schande aan te doen, en hij verbaasde zich, ziende wat geschiedde, daar hij niet bij de vorige bespreking was geweest. En Pausanias en Euryanax trokken het zich wel aan, dat gene hun niet gehoorzaamde, doch nog méér om bij zijn weigering de schaar uit Pitana achter te laten, opdat niet, als zij handelden volgens hun afspraak met de andere Hellenen en zij hem verlieten. Amompharetus zelf en die bij hem alleen zouden blijven en omkomen. Uit deze overweging hielden zij het Laconische leger in rust, en trachtten genen te overreden, dat het niet niet mogelijk was, zoo te doen.

54. En zij nu spraken tot Amompharetus, die alleen van de Lacedaemoniërs en de Tegeaten achtergebleven was, doch de Atheners deden het volgende. Zij bleven rustig waar zij geplaatst waren, kennend den geest der Lacedaemoniërs, die iets anders voornemens zijn en iets anders zeggen. En toen het leger in beweging kwam, zonden zij een ruiter om te zien, of de Spartanen voornemens waren op te breken, of dat zij er gansch niet