aan dachten om weg te trekken, en aan Pausanias te vragen, wat zij doen moesten.
55. Toen de heraut bij de Lacedaemoniërs was gekomen, zag hij hen op hun plaats en hun eersten in twist geraakt. Want toen Euryanax en Pausanias Amompharetus toespraken, om niet alleen van de Lacedaemoniërs met de zijnen te blijven en gevaar te loopen, overreedden zij hem gansch niet, totdat zij aan het twisten raakten en de heraut der Atheners aankwam en tot hen trad. En bij die twist nam Amompharetus met beide handen een grooten steen en dien voor Pausanias' voeten neerleggend, zeide hij met dat steentje te stemmen, dat men niet vluchten moest voor de vreemdelingen: de barbaren bedoelde hij. En Pausanias noemde hem razend en niet bij zinnen, en aan den heraut der Atheners, die vroeg wat hem opgedragen was, beval hij hun te zeggen, hoe het stond, en verzocht de Atheners zich bij hen aan te sluiten en ten opzichte van het vertrek even zoo te handelen als ook zij zelf.
56. En de heraut keerde naar de Atheners terug. Maar toen de dageraad hen nog aan het twisten vond, gaf Pausanias, die in al dien tijd op de plaats was gebleven en verwachtte, dat Amompharetus na het vertrek der andere Lacedaemoniërs niet achterblijven zou, — wat dan ook gebeurde, — toen gaf hij het teeken en voerde alle overigen over de heuvels weg, en ook de Tegeaten gingen mede. De Atheners, gehoorzaam aan het bevel, trokken langs een gansch anderen weg dan de Lacedaemoniërs, want dezen hielden zich aan de heuvels en aan den voet van den Cithaeron uit vrees voor de ruiterij: doch de Atheners trokken' beneden, door de vlakte.
57. Amompharetus, die eerst gansch niet verwachtte dat Pausanias het zou wagen hen te verlaten, hield vol