baasde mij veel meer over Artabazus, dat hij de Lacedaemoniërs zelfs vreesde en in zijn vrees de lafste meening voordroeg: wij moesten met het leger opbreken en de stad der Thebanen betrekken om ons te laten belegeren; waarover de koning nog wel van mij hooren zal. Doch die dingen zullen elders besproken worden, nu echter moeten wij genen niet laten doen, wat zij doen, maar hen vervolgen, tot zij ingehaald zijn en boete geven, voor alles wat zij de Perzen aandeden."
59. Zoo sprak hij, en liet de Perzen den Asopus overtrekken en voerde hen op een draf langs het spoor der Hellenen, als liepen die werkelijk weg; enhij richtte hen alleen op de Lacedaemoniërs en de Tegeaten, want de Atheners, die de vlakte introkken, kon hij door de heuvels niet zien. En de overige aanvoerders der barbaarsche afdeelingen, ziende dat de Perzen de Hellenen nazetten, namen terstond allen hun veldteekens op en ijlden genen na zoo snel ieder kon, zonder op slagorde en rij te letten.
60. En zij dan rukten schreeuwend en in drommen aan, als om de Hellenen mede te slepen. Doch Pausanias, toen de ruiterij hem aanviel, zond een ruiter tot de Atheners en zeide het volgende: „ mannen Atheners, nu de grootste kamp ons te wachten staat of Hellas vrij zal zijn of in slavernij, zijn wij Lacedaemoniërs en gij Atheners door onze bondgenooten verraden, daar zij in den laatsten nacht wegliepen. Nu daarom heb ik besloten wat wij thans doen moeten: want wij moeten ons weeren zoo dapper wij kunnen en elkander helpen. Indien de ruiterij het eerst u aangevallen had, dan moesten wij en de Tegeaten, die met ons Hellas niet verraden hebben, u te hulp komen; nu echter, want zij is geheel tegen ons aangerukt, behoort gij die afdeeling te komen onder-