daemoniërs op de vlucht geslagen waren, vluchtten zij zonder eenige orde naar hun kamp en de houten verschansing, die zij op het Thebaansche gebied hadden gemaakt. Doch een wonder schijnt het mij, dat terwijl zij streden bij het woud van Demeter, klaarblijkelijk geen enkele der Perzen in het heiligdom gekomen is noch daar omgekomen, doch de meesten vielen bij den tempel op ongewijden grond. En ik meen, als men over de goddelijke dingen wat meenen mag, dat de godin hen niet opnam, wijl genen het goddelijk huis in Eleusis verbrand hadden.
66. Zoo nu liep deze slag af. Doch Artabazus, de zoon van Pharnaces, had er al dadelijk geen vrede mede gehad, toen Mardonius door den koning achtergelaten werd, en thans hoezeer hij ook aandrong, richtte hij niets uit, toen hij den slag ontried. Zelf nu deed hij het volgende in ontevredenheid over Mardonius' daden: de mannen waarover Artabazus het bevel had (hij had geen geringe macht, doch zelfs ongeveer vier tienduizenden van menschen om zich), deze werden, toen de slag begon, daar hij wel wist hoe de strijd zou afloopen, na goed overleg door hem in beweging gezet, en hij gaf het bevel, dat allen zouden gaan, waarheen hij hen leiden zou, met dezelfde haast die zij bij hemzelf zagen; na dit bevel voerde hij het leger te velde als ware het voor een slag. Doch daar hij een eindweegs vooruit was, zag hij de Perzen reeds vluchten; zoo dan voerde hij hen niet meer in dezelfde slagorde, maar vluchtte ten snelste weg, noch naar de verschansing, noch naar de Thebaansche vesting, maar naar de Phociërs, verlangend zoo snel mogelijk aan den Hellespont te komen.
67. En zij dan wendden zich daarheen, doch terwijl de overige Hellenen op de zijde des konings opzettelijk laf waren, streden de Boeotiërs langen tijd tegen de