Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen II (vert. v. Deventer 1893).pdf/371

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Atheners; want de Medisch-gezinden onder de Thebanen, dezen hadden geenszins geringen ijver en waren niet laf, zoodat driehonderd van hen, de aanzienlijksten en dappersten daar door de Atheners omkwamen. Doch toen ook zij zich wendden, vluchtten zij naar Thebae, waarheen de Perzen vluchtten en de gansche schaar der andere verbondenen, die tegen niemand gestreden en niets gedaan hadden.

68. En mij is duidelijk, dat de gansche zaak der barbaren van de Perzen afhing, daar toch genen toen, vóór zij met de vijanden samen troffen, vluchtten, toen zij ook de Perzen dat zagen doen. Zoo dan vluchtten allen behalve de ruiterij, èn de andere èn de Boeotische, en deze was de vluchtelingen van veel nut, daar zij steeds dicht bij de vijanden bleef en de bevriende vluchtelingen van de Hellenen afsloot.

69. De overwinnaars dan gingen de krijgers van Xerxes achterna, vervolgend en doodend. En in de vlucht toen ontstaan werd aan de andere Hellenen, geschaard bij den Hera-tempel en zonder aandeel in het gevecht, gemeld dat een slag geleverd was en Pausanias met de zijnen overwonnen had; en zij, dat hoorend, schaarden zich geenszins in orde, doch de Corinthiërs en hun buren sloegen den weg in, langs den voet van het gebergte en over de heuvels naar boven recht op den tempel van Demeter afgaande, doch de Megarëers en de Phliasiërs en hun buren trokken door de vlakte heen langs den gemakkelijksten weg. Toen echter de Megarëers en de Phliasiërs dicht bij de vijanden gekomen waren, zagen de Thebaansche ruiters hen zonder eenige orde toeijlen, en zonden de ruiterij, wier aanvoerder Asopodorus, zoon van Timandrus was, op hen af, en bij hun aanval velden