Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen II (vert. v. Deventer 1893).pdf/372

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

zij er zeshonderd neder, doch de overigen zetten zij na en dreven hen naar den Cithaeron.

70. Deze dan kwamen om zonder dat iemand op hen lette, doch de Perzen en de overige schaar, toen zij in de houten verschansing gevlucht waren, klommen in de torens naar boven vóór de Lacedaemoniërs waren gekomen, en naar boven geklommen versperden zij de toegangen in de verschansing zoo goed zij konden; na de komst der Atheners echter onstond een nog heftiger strijd om de sterkte. Want zoolang de Atheners er niet waren, verweerden zij zich en behielden de overhand op de Lacedaemoniërs, daar deze het bestormen niet verstonden; doch toen de Atheners aankwamen, zoo dan ontstond een heftig gevecht om de sterkte en van langen duur. Eindelijk, door hun dapperheid en volharding bestegen de Atheners de verschansing en maakten een bres; daardoor dan stroomden de Hellenen naar binnen; het eerst nu kwamen de Tegeaten de verschansing in, en zij waren het die den tent van Mardonius plunderden, zoowel het andere er uit als ook de kribbe der paarden, die geheel van metaal was en bezienswaard. Die kribbe nu van Mardonius wijdden de Tegeaten in den tempel van Athenaia Alea; al het andere echter, zooveel zij roofden, brachten zij op dezelfde plaats als de Hellenen. De barbaren bleven niet langer geschaard, toen de verschansing gevallen was, en niemand van hen dacht om tegenweer, doch zij waren verschrikt, daar zij in een kleine ruimte gejaagd waren en vele tienduizenden van menschen opeen gedrongen. En de Hellenen konden zooveel dooden, dat van de dertig tienduizenden des legers, op de vier na waarmede Artabazus vluchtte, van de overigen geen drie duizend in leven bleven. Van de Lacedaemoniërs uit Sparta sneuvelden in den slag