dragen en bejammerde zijn dood, zeggende tot Arimnestus een Plataeër: hij betreurde het niet voor Hellas te sterven, doch dat hij zijn hand niet gebruikt had en geen enkele zijner waardige daad verricht, hoezeer ook verlangend er een te verrichten.
73. Onder de Atheners zou Sophanes den grootsten roem behaald hebben, de zoon van Eutychides, uit de gemeente Decelea, een der Deceleërs, die eenmaal een voor altijd nuttige daad verricht hadden, zooals de Atheners zelf verhalen. Want toen lang geleden de Tyndariden Helena zochten[1] en met een groot leger in het Attische land vielen en de bevolking der dorpen verdreven, niet wetend waar Helena heen was gebracht, toen zegt men dat de Deceleërs, of volgens anderen Decelus zelf, in onwil over den overmoed van Theseus en uit vrees voor het gansche land der Atheners, hun de gansche zaak vertelde en hen naar Aphidnae bracht, dat dan door Titacus, een daar geborene, aan de Tyndariden overgegeven werd. Om die daad hadden de Deceleërs in Sparta nog tot dezen tijd voortdurend vrijdom aan schatting[2] en een eereplaats bij de spelen, zoozeer dat ook in den oorlog, die vele jaren tusschen de Atheners en de Peloponnesiërs plaats had[3], de Lacedaemoniërs het overige Attica verwoestten, doch Decelea vrij lieten.
74. Van deze gemeente dan was Sophanes, die toen onder de Atheners uitmuntte, en twee verhalen doet men