Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen II (vert. v. Deventer 1893).pdf/376

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

land, daar zij die dikwijls gehoord had, herkende zij Pausanias en omvatte zijne knieën en sprak: „O koning van Sparta, red mij smeekelinge uit krijgsgevangenschap. Want gij hebt mij thans reeds geholpen, hen vernietigend, die heroën noch goden schroomen. Ik ben van afkomst uit Cos, de dochter van Hegetoridas. Antagoras' zoon. Met geweld roofde de Pers mij in Cos en hield mij. " Hij antwoordde het volgende: „ vrouw, heb moed, èn als smeekelinge èn indien ge daarbij de waarheid spreekt en de dochter zijt van Hegetoridas uit Cos, die mijn grootste gastvriend is onder hen, welke in die streken wonen. " Dit zeide hij en hij vertrouwde haar toen aan de aanwezige ephoren toe, doch later zond hij haar naar Egina, waarheen zij zelf wilde gaan.

77. Na de komst der vrouw, terstond daarop kwamen de Mantineërs, toen alles voorbij was, en vernemend dat zij later dan de slag kwamen, waren zij zeer getroffen en zeiden straf te verdienen. En toen zij hoorden van Artabazus' vlucht met de zijnen, wilden zij hen tot aan Thessalië achtervolgen, doch de Lacedaemoniërs lieten hen niet toe de vluchtelingen te achtervolgen. Zij dan keerden terug naar huis en verbanden de legeraanvoerders uit het land. Na de Mantineërs kwamen de Eleërs en evenals de Mantineërs waren de Eleërs zeer geërgerd en keerden huiswaarts, en na hun terugkomst verbanden ook dezen hun aanvoerders. Dit nu geschiedde met de Mantineërs en de Eleërs.

78. Te Plataeae was in het kamp der Egineten Lampon, zoon van Pytheas, een der eersten onder de Egineten, die zich met een alleronvroomsten voorslag tot Pausanias haastte, en met ijver tot hem gekomen het volgende sprak: „O zoon van Cleombrotus, een daad hebt ge verricht onovertroffen in grootte en schoonheid,