en de god gaf u om Hellas te redden en den grootsten roem te verwerven onder de Hellenen, die wij kennen. Doch doe gij nu verder nog dit daarbij, opdat uw roem nog grooter zij en menigeen der barbaren later zich hoede goddelooze daden tegen de Perzen te ondernemen. Want toen Leonidas gesneuveld was in Thermopylae, hieuwen Mardonius en Xerxes hem het hoofd af en kruisigten hem : vergeld gij met het gelijke en lof zult ge verwerven, vooreerst bij alle Spartanen, en dan ook bij de andere Hellenen. Want door Mardonius te spietsen, zult ge uw oom Leonidas gewroken hebben."
79. Hij nu zeide dit in de meening aangenaam te zijn, doch de ander antwoordde het volgende : „ o gast- vriend Egineet, ik prijs uwe goede gezindheid en zorg, doch den besten voorslag mistet gij, want mij en mijn vaderland en mijn daad hoog verheffend, vernedert ge mij tot niets, nu ge mij raadt een lijk te schenden, en beweert, ik zal grooter roem hebben, zoo ik dat doe : zulk een daad betaamt den barbaren meer dan den Hel- lenen, en in hen laken wij ze. Ik wil op deze wijze noch den Egineten behagen noch hun, wien zulke dingen welgevallig zijn ; mij is het genoeg den Spartanen te behagen en het vrome te doen en het vrome ook te zeggen. Leonidas, dien ge mij aanspoort te wreken, grootelijks is hij gewroken, beweer ik, en door de ontelbare levens van hen hier is hij zelf geëerd en ook de anderen die in Thermopylae stierven. Doch gij, als ge weder zulk een voorslag hebt, kom niet tot mij noch geef mij raad, en wees dankbaar, dat ge ongestraft blijft."
80. De ander dan hoorde dat en ging heen. Doch Pausanias liet rondroepen, dat niemand de buit zou aanraken, en beval de heloten de schatten bijeen te dragen. En zij verspreidden zich over het kamp en vonden tenten