Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen II (vert. v. Deventer 1893).pdf/381

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Thebae, en de Medisch-gezinden onder hen op te eischen, en vooral Timagenidas en Attaginus, die voornamelijk de leiders waren; zoo zij hen niet uitleverden, dan niet van de stad op te breken, voor zij haar veroverd hadden. Toen zij dat besloten hadden, zoo dan kwamen zij op den elfden dag na den slag aan en belegerden de Thebanen, hen bevelend de mannen uit te leveren; doch de Thebanen wilden genen niet uitleveren, en zoo verwoestten de anderen hun land en bestormden den muur.

87. Toen zij nu niet ophielden0het land te verwoesten, zeide op den twintigsten dag Timagenidas het volgende tot de Thebanen: „mannen Thebanen, daar de Hellenen zoo besloten hebben, niet eerder het beleg op te breken, vóór of zij Thebae veroverd hebben, of gij ons aan hen uitlevert, nu dan moge het Boeotische land niet om onzentwil nog meer lijden, doch als zij geld verlangen en als voorwendsel ons opeischen, laat ons dan uit de openbare middelen geld geven (want met de gansche gemeente en niet op ons zelf alleen waren wij ook met de Meden); als zij echter in waarheid ons hebben willen en daarom belegeren, zullen wij zelf ons verdedigen." En hij scheen zeer goed en gepast te spreken, en terstond traden de Thebanen met Pausanias in onderhandeling, verlangend de mannen uit te leveren.

88. Toen zij het op deze voorwaarden eens waren geworden, vluchtte Attaginus uit de stad, en zijn zonen, die vóór hem gebracht werden, sprak Pausanias van schuld vrij, bewerend dat de zonen gansch geen schuld hadden aan het heulen met de Meden. De andere mannen echter, door de Thebanen uitgeleverd, hadden op een geding gerekend en gehoopt met geld de aanklacht van zich te stooten; doch Pausanias, toen hij hen