gekregen had, dacht daar ook om en ontbond het gansche leger der bondgenooten, en bracht genen naar Corinthus en doodde hen. Dit nu geschiedde te Plataeae en te Thebae.
89. Artabazus, de zoon van Pharnaces, uit Plataeae weggevlucht was reeds ver gekomen. En bij zijn komst noodigden de Thessaliërs hem bij zich als gast en vroegen hem naar het overige leger, daar zij niets wisten van de gebeurtenissen in Plataeae. Daar Artabazus begreep, als hij hen gansch de waarheid zeide over de kampen, zou hij zelf en het leger met hem gevaar loopen om te komen, want iedereen, dacht hij, zou op
het hooren van het geschiede, hem aanvallen, — om deze overweging had hij ook tot de Phociërs niets gezegd, en sprak hij tot de Thessaliërs het volgende: „ik nu, o mannen Thessaliërs, zooals ge ziet, spoed mij om ten snelste naar Thracië te komen en heb haast, daar ik om een zaak met dezen hier uit het kamp ben weggezonden; Mardonius zelf echter en zijn leger daar volgen mij op op den voet en zijn hier te verwachten. Onthaalt ook hem en behandelt hem zeer goed; want die daad zal u eenmaal niet berouwen." Zoo sprak hij, en hij voerde zijn leger met ijver door Thessalië en Macedonië heen recht op Thracië af, daar hij werkelijk haast had, en nam zijn weg midden door het land[1]. En hij kwam in Byzantium, velen van zijn leger achterlatend, die onderweg door de Thraciërs neergehouwen waren of door honger en vermoeidheid geslagen; en uit Byzantium stak hij op schepen over. Hij dan keerde zoo naar Azië terug.
90. Denzelfden dag echter, waarop de nederlaag bij Plataeae voorviel, geviel er ook een te geschieden te Mycale in
- ↑ Zie VII. 124.