geeft, gij en dezen hier met u, dat de Samiërs ons waarlijk ijverige bondgenooten zullen zijn."
92. En tevens zeide hij dit en voegde de daad erbij. Want terstond gaven de Samiërs trouw en eeden over hun verbond met de Hellenen. Daarna voeren de anderen weg, — want Leutychides beval Hegisistratus met de Hellenen te varen, daar hij den naam als een voorteeken opvatte, — doch de Hellenen, dien dag daar gebleven, offerden den volgenden met gunstige teekens: hun waarzegger was Deïphonus, zoon van Euenius, een Apolloniaat, uit Apollonia in den Ionischen golf[1].
93. Diens vader Euenius overkwam eens de volgende zaak. Bij dat Apollonia zijn schapen, gewijd aan de zon, die overdag grazen bij de rivier de Chon[2], welke uit het gebergte Lakmon door het Apollonische land in zee stroomt bij den haven Oricus, doch des nachts door uitgekozen mannen, in rijkdom en afkomst de aanzienlijkste der burgers, door dezen dan, telkens door ieder één jaar lang bewaakt worden; want zéér achten de Apolloniaten die schapen om een orakel; zij brengen den nacht in een hol door, ver van de stad. Daar dan had toen Euenius als uitgekozene de wacht. En toen hij eens ingeslapen was bij de wacht, kwamen wolven in het hol en doodden ongeveer zestig van de schapen. Hij, toen hij dat ontdekte, hield het stil en zei het aan niemand, van zins andere te koopen en die in de plaats te zetten. Maar den Apolloniaten bleef die gebeurtenis niet verborgen, doch toen zij het bemerkt hadden, brachten zij hem voor het gerecht en veroordeelden hem, daar hij op de wacht was ingeslapen, het gezicht te verliezen. Toen zij nu