voorbij gegaan, kwamen zij te Gaeson en Scolopoeis[1], waar een tempel is van de Eleusinische Demeter, dien Philistus, de zoon van Pasicles, gebouwd had, toen hij Neileus, den zoon van Codrus, op de stichting van Miletus volgde, en daar trokken zij de schepen op het land en wierpen een wal er om van steenen en balken, waarvoor zij gekweekte boomen hadden geveld, en palen sloegen zij om den wal, en rustten zich toe, zoowel om belegerd te kunnen worden als om te overwinnen, want met overweging van beide gevallen rustten zij zich toe.
98. Toen de Hellenen de vlucht der barbaren naar het vasteland vernamen, ergerden zij zich over hun vlucht, en waren verlegen wat te doen, of zij terug zouden keeren of naar den Hellespont varen. Eindelijk besloten zij geen van beide te doen, doch naar het vaste land te varen. Zij maakten dus voor den zeeslag enterbruggen gereed en andere benoodigdheden en voeren naar Mycale. En toen zij dicht bij het kamp gekomen waren, en niemand hun tegemoet zagen varen, doch de schepen aanschouwden binnen de verschansing op het land getrokken, en een groot leger langs het strand geschaard, toen voer eerst Leutychides met zijn schip vooruit, kwam zoo dicht mogelijk bij het strand, en liet door een heraut den Ioniërs verkondigen : „mannen Ioniërs, zoovelen onder u gij dit hooren kunt, verneemt wat ik zeg, want de Perzen zullen in 't geheel niets verstaan, van wat ik u opdraag. Wanneer wij samentreffen, moet een ieder allereerst de vrijheid indachtig zijn, en vervolgens den krijgsroep Hebe. En ook die dit niet gehoord heeft, laat hij het weten van die het hoorde." De bedoeling van deze daad was dezelfde, als die van The-
- ↑ Een kleine stroom en een plaats.