111. Eindelijk echter, daar zij sterk aandrong en hij gedwongen was door de zede, dat het niet mogelijk is bij het koninklijke gastmaal iets te vragen en het niet te krijgen, stemde zeer onwillig toe, en hij leverde haar uit en deed het volgende: gene beval hij te doen wat zij wilde, doch zelf ontbood hij zijn broeder, en sprak het volgende: „Masistes, gij zijt de zoon van Darius en mijn eigen broeder, bovendien zijt ge ook een dapper man; de vrouw nu met wie gij thans gehuwd zijt, leef daarmede niet meer, maar ik geef u voor haar mijn eigen dochter in de plaats. Huw met haar, doch die ge nu hebt, want ik vind dat niet goed, houd die niet als vrouw." Doch Masistes verbaasde zich over het gezegde en sprak het volgende: „o heer, welk slecht woord zegt ge mij daar, en beveelt mij om mijn vrouw, uit welke ik zonen heb en dochteren, een van welke gij zelf aan uw eigen zoon tot vrouw hebt gegeven, en die ook mij zelf zeer naar den zin is, om die vrouw weg te zenden en uw dochter te huwen. Ik nu, koning, stel het hoog uw dochter waardig gekeurd te worden, maar toch zal ik geen van beiden doen. En gij, wend toch geen geweld aan bij uw verlangen naar zulk een zaak, doch voor uw dochter zal een ander man opkomen, niets minder dan ik ben, en laat mij met mijn vrouw leven."
Hij dan antwoordde aldus, doch Xerxes werd toornig en sprak: „zóó staat uw zaak. Masistes: want noch zal ik u mijn dochter ten huwelijk geven, noch zult ge met de andere langer samen leven, opdat ge leert het geschonkene aan te nemen." En gene, toen hij dat hoorde, ging weg met deze woorden: „heer, ge hebt mij toch niet ongelukkig gemaakt?"
112. In den tusschentijd echter, terwijl Xerxes met zijn broeder sprak, liet Amestris de lijfwachten van