Hellenen in den Hellespont gekomen waren, uit de andere omliggende plaatsen vele Perzen bijeen, en dan ook uit de stad Cardia Oeobazus een Pers, die de touwen van de bruggen daarheen gebracht had. Aeoliërs uit de streek bewoonden die plaats, en er waren ook Perzen daar en een groote menigte van de andere verbondenen.
116. Heerscher over dit gewest was Xerxes' onderkoning Artayctes, een Pers, gruwlijk en goddeloos, die ook den koning op zijn tocht tegen Athene bedroog, daar hij de schatten van Protesilaüs[1], Iphiclus zoon, uit Elaeüs wegstal. Want te Elaeüs in den Chersonesus is een graf van Protesilaüs en een gewijde grond daarom heen, waar veel schatten waren en gouden en zilveren schalen en koper en gewaad en andere wijgeschenken, die Artayctes met verlof van den koning roofde. Want met de volgende woorden had hij Xerxes bedrogen: „heer, er is hier het huis van een Helleen, die tegen uw land opgetrokken zijn straf kreeg en stierf; geef mij zijn huis, opdat een ieder leere niet tegen uw land op te trekken." Met deze woorden zou hij Xerxes gemaklijk bewegen hem het huis van den man te geven, daar Xerxes geenszins vermoedde, wat gene meende. Dat Protesilaüs tegen het land des konings opgetrokken was, zeide hij met de volgende overweging: de Perzen houden geheel Azië voor het eigendom van hen en van den regeerenden koning. Toen nu de schatten hem geschonken waren, bracht hij ze van Elaeüs naar Sestus en gebruikte de gewijde aarde als bouwgrond en weiland, en zelf, wanneer hij in Elaeüs kwam, pleegde hij in het binnenste des tempels ontucht met vrouwen. Thans echter werd hij door de Atheners bele-
- ↑ Een der helden uit den tocht tegen Troje.