Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen II (vert. v. Deventer 1893).pdf/398

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

gerd, zonder dat hij zich op een belegering voorbereid of de Hellenen verwacht had, doch geheel onvoorzien waren zij hem overvallen.

117. Toen het bij het beleg herfst was geworden, en de Atheners ontevreden waren over hun verblijf buiten hun land en de sterkte niet veroveren konden, verzochten zij hun veldheeren hen naar huis terug te voeren; dezen echter weigerden het vóór of zij de stad veroverd hadden of het Atheensche volk hen terug riep; zoo dan berustten zij bij den toestand.

118. Die in de vesting waren reeds tot het uiterste van ellende gekomen, zoozeer dat zij de lederen banden van de bedden kookten en aten. Toen zij ook die niet meer hadden, zoo dan vluchtten de Perzen en Artayctes en Oeobazus in den nacht weg, aan de achterzijde der vesting afgeklommen waar zij het meest van vijanden verlaten was. Toen de dag was gekomen, meldden de Chersoniten van de torens het gebeurde aan de Atheners en openden de poorten. En de meesten van de laatsten gingen aan het vervolgen, de anderen bezetten de stad.

119. Oeobazus nu werd op zijn vlucht naar Thracië door Thracische Absinthiërs gegrepen en geofferd aan Pleistorus, een inheemschen god, volgens hun zede, die met hem echter doodden zij op andere wijze. Doch Artayctes en de zijnen, later op de vlucht gegaan, en toen zij een weinig boven Aegus Potami werden ingehaald, verweerden zich langen tijd, en stierven deels, deels werden zij levend gevangen genomen. En de Hellenen boeiden hen en brachten hen naar Sestus, en met hen ook Artayctes zelf in boeien en zijn zoon.

120. En aan een van hun bewakers gewerd, naar de Chersoniten verhalen, bij het braden van gezouten visch