Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen II (vert. v. Deventer 1893).pdf/399

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

het volgende teeken: de visschen, die boven het vuur lagen, sprongen op en spartelden evenals pas gevangen visschen. En de anderen liepen toe en verbaasden zich, doch Artayctes toen hij het wonder zag, riep den brader der visschen en sprak: „vriend Athener, wees niet bang om dat wonder, want niet u is het verschenen, doch aan mij geeft Protesilaüs uit Elaeüs te kennen, dat hij ofschoon dood en gezouten de macht van de goden ontvangen heeft om zijn beleediger te straffen. Welaan dan, ik wil den volgenden zoenprijs geven: voor de schatten die ik uit den tempel nam wil ik honderd talenten aan den god wijden, en voor mij zelf en mijn zoon zal ik tweehonderd talenten aan de Atheners betalen, zoo ik leven blijf." Met deze belofte overreedde hij den veldheer Xanthippus niet, want om Protesilaüs te wreken eischten de Elaeüsiërs zijn dood, en zoo was ook de bedoeling van den veldheer. Zij brachten hem naar het strand, waar Xerxes den overtocht overbrugd had, naar anderen verhalen op den heuvel boven de stad Madytus, en nagelden hem aan planken vast en hingen hem aan een paal[1]; zijn zoon echter steenigden zij voor de oogen van Artayctes.

121. Na deze daden voeren zij naar Hellas terug, en zij namen de andere schatten mede en dan ook de touwen der bruggen om die in de tempels te wijden. En in dit jaar[2] geschiedde niets meer dan deze dingen.

122. Artembares, de grootvader van dezen opgehangen Artayctes is het, die den Perzen het plan verklaarde, dat zij overnamen en aan Cyrus voorlegden, en dat het

  1. Zij nagelden de armen aan een plank, en de voeten aan een anderen, en hingen hem zoo, in den vorm van een kruis, aan een paal.
  2. 478 v. Chr.