volgende zeide: „daar Zeus den Perzen de heerschappij geeft, en onder alle mannen aan u. Cyrus, door Astyages omver te werpen, welaan, wij bezitten toch een klein land en dat nog wel een ruw, laat ons dat verlaten en een beter nemen. Want vele betere landen zijn naast ons, vele ook verder af, en één daarvan bezittend zullen wij nog om meer redenen dan thans zeer bewonderenswaardig zijn. Billijk is het, dat mannen die heerschen, zoo iets doen. Want wanneer zal de gelegenheid schooner zijn dan thans, nu wij heerscher zijn over vele menschen en gansch Azië?" Cyrus nu hoorde dit en bewonderde het plan wel niet, maar ried hen toch dat te doen, doch hij gaf hun tevens den raad er zich op voor te bereiden om niet meer heerschers doch beheerschten te zijn; want uit zachte landen plachten zachte mannen te ontstaan, want geenszins was het van hetzelfde land om een heerlijke oogst te geven en mannen dapper in den krijg, zoodat de Perzen dit erkennend afzagen van het plan, door Cyrus in hun meening overwonnen, en het verkozen om heerscher te zijn en een mager land te bewonen, liever dan een vlakte te bezaaien en anderen te dienen.
EINDE.