inviel; zoo vielen toen de Doriërs voor de vierde maal in het gebied van Athene.
77. Toen deze tocht nu zonder roem afgeloopen was, toen wilden de Atheners zich wreken en trokken eerst op tegen de Chalcidiërs. En de Boeotiërs kwamen de Chalcidiërs bij den Euripus[1] te hulp. En de Atheners, die deze helpers zagen, besloten eerder de Boeotiërs dan de Chalcidiërs aan te vallen. En de Atheners dan troffen met de Boeotiërs samen, en overwonnen hen zéér, doodden velen en namen zevenhonderd van hen levend gevangen. Op dien zelfden dag trokken de Atheners naar Euboea over en troffen ook met de Chalcidiërs samen, en ook dezen overwonnen zij, en lieten vierduizend volkplanters[2] in het land van de rossenkweekers achter: rossenkweekers echter heeten de rijken onder de Chalcidiërs. En zoovelen zij ook van dezen levend gevangen namen, die hielden zij tegelijk met levend gevangenen Boeotiërs in bewaking, in boeien. Na eenigen tijd echter lieten zij hen vrij, voor ieder een losprijs van twee minen[3] ontvangend. Hun boeien, waarin zij geboeid waren, hingen zij in den burcht, en nog in mijn tijd waren zij over, hangend aan de muren, die door den Meed afgebrand werden tegenover den naar den avond gelegenen tempel. En het tiende deel van den losprijs wijdden zij, en lieten een metalen vierspan maken; dat staat aan de linkerhand als men de voorhallen binnengaat, die op den burcht zijn, en het volgende is er op geschreven: