ter gaan. De Epidauriërs nu vroegen verder of zij de beelden van metaal zouden maken of van steen; doch de Pythia wilde geen van beiden toelaten, maar hout van den olijfboom. De Epidauriërs nu vroegen de Atheners hun te vergunnen, dat zij een olijf boom omhakten, daar zij die van hen dan voor de heiligsten hielden. Er wordt ook verhaald, dat er in dien tijd nergens anders op aarde olijf boomen waren, dan in Athene. Genen zeiden hun dat te zullen gunnen, op voorwaarde dat zij ieder jaar offers zouden brengen aan Athene Polias en aan Erechtheus. Toen de Epidauriërs in deze voorwaarden toestemden, verkregen zij wat zij verzochten, en zij maakten beelden van die olijfboomen en plaatsten ze; en ook droeg het land hun vruchten en zij volbrachten voor de Atheners het bedongene.
83. In dien tijd nog en daarvóór gehoorzaamden de Aegineten ook in andere zaken aan de Epidauriërs en dan ook naar Epidaurus overgestoken haalden de Aegineten hun recht voor aanklagers en beklaagden. Doch later bouwden zij schepen en vielen uit driestheid van de Epidauriërs af. En als vijanden van genen, benadeelden zij hen, omdat zij meesters van de zee waren. En zelfs ontroofden zij hun heimelijk die beelden van Damia en Auxesia, en brachten ze weg en plaatsten ze in hun eigen land in een plaats midden in, die Oea heet, en ongeveer twintig stadiën van de stad afligt. En toen zij ze daar geplaatst hadden, vereerden zij ze met zoenoffers en spottende vrouwenkooren, waarbij voor ieder der beide godheden tien mannen als koor-uitrusters benoemd werden. Die kooren bespotten geen enkelen man, doch wel de vrouwen des lands. Ook de Epidauriërs hadden dezelfde eerediensten; en zij hebben ook nog geheime eerediensten.