van hen, die het knaapje kreeg, zou het op den grond werpen. Toen nu Labda het gebracht en gegeven had, — de man, die het aannam, door goddelijke beschikking lachte het knaapje hem toe, en hij zag dat en een medelijden weerhield hem het te dooden, en in medelijden gaf hij het aan een tweeden, deze een derden. En zoo ging het door alle tien van den een naar den ander, daar niemand het wilde ombrengen. Zij gaven dan het knaapje aan de moeder terug en naar buiten gegaan, bleven zij staan bij de deur en scholden en beschuldigden elkander en vooral hem, die het kind 't eerst ontvangen had, dat hij niet volgens het besluit had gehandeld, totdat zij na eenigen tijd besloten weder naar binnen te gaan en het allen te samen te dooden.
§ 4. Doch uit den spruit van Eëtion moesten rampen voor Corinthus groeien. Want Labda, dicht bij de deur staande, had dat alles gehoord, en uit vreeze, dat genen veranderen zouden en het kind wederom nemen en het dooden, droeg zij het weg en verborg het, waar zij de meest onvindbare plaats kon bedenken, in een kist, wetend, dat als genen terugkeerden en tot opsporing overgingen, zij alles nazoeken zouden: wat dan ook gebeurde. Want toen zij kwamen en het knaapje niet te zien was, besloten zij te vertrekken en tegen hun afzenders te zeggen, dat zij alles gedaan hadden, wat genen opdroegen.
§ 5. En genen nu gingen heen en zeiden dat. Doch Eëtions zoon groeide daarna op, en hem werd, toen hij dat gevaar ontkomen was, naar den naam der kist de naam Cypselus[1] gegeven. Toen Cypselus man was geworden en tot het orakel ging, ontving hij een dubbel-
- ↑ Kist = Kypselê.