Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen II (vert. v. Deventer 1893).pdf/58

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

„Zoodanig, weet het, is de alleenheerschappij , o Lacedaemoniërs, en zulke daden doet zij. Ons Corinthiërs had reeds aanstonds groote verbazing bevangen, toen wij vernamen, dat gij Hippias ontbonden hadt, doch nu verbazen wij ons nog meer, dat gij zoo spreekt en wij roe- pen de Helleensche goden tot getuigen, en bezweeren u, geen alleenheerschappijen in de steden in te voeren. Doch daar ge het niet laten zult, en trachten tegen het billijke in Hippias terug te brengen, weet, dat de Corinthiërs althans u niet bijvallen."

93. Socles nu, de gezant uit Corinthus, zeide deze dingen, doch Hippias antwoordde, dezelfde goden als gene aanroepend : voorwaar, de Corinthiërs zouden het meest van allen naar de Pisistratiden verlangen, wanneer de dagen gekomen waren, hun beschoren om door de Atheners te lijden. Hippias nu antwoordde met deze woorden, daar hij het best der menschen de orakelspreuken kende, doch de overige bondgenooten waren tot zoolang stil gebleven, doch toen zij Socles vrijmoedig hoorden spreken, brak ieder van hen zijn stem los en koos de meening van den Corinthiër, en zij bezwoeren de Lacedaemoniërs niets kwaads te doen aan een Helleensche stad.

94. Zoo dan ging deze zaak niet verder. En aan Hip- pias, toen hij vandaar wegtrok, wilde Amyntas, de koning der Macedoniërs, Anthemus geven, en de Thessaliërs wildenhem Iolcos geven. Hij koos echter geen van beiden, doch week weder terug naar Sigeüm, dat Pisistratus gewapenderhand aan de Mytilenaeërs ontnomen had, en na de verovering had hij daar Hegesistratos als heerscher aangesteld, zijn onechten zoon, uit een Argivische vrouw ge- boren ; en deze behield niet zonder strijd wat hij van Pisistratus had ontvangen, want langen tijd beoorloogden zij elkander uit de stad Achilleüm en uit Sigeüm