Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen II (vert. v. Deventer 1893).pdf/59

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

getrokken, de Mytilenaeërs en de Atheners; de eersten, wijl zij het land terugeischten, en de Atheners, wijl zij dat niet toegaven, doch met redeneering toonden, dat de Aeoliërs niet meer recht hadden op het Ilische land dan zij zelf en alle anderen, zoovelen der Hellenen Menelaüs den roof van Helena hielpen wreken.

95. In hun oorlog geschiedden in de gevechten allerlei andere dingen, en daaronder ook, dat Alcaeus de dichter[1], bij een treffen, waarin de Atheners overwonnen, zelf vluchtte, doch de Atheners zijn wapens kregen, en zij hingen die op in den Athene-tempel te Sigeüm. Dit dichtte Alcaeus in een lied en zond het naar Mytilene, terwijl hij zijn ongeval aan Melanippus, zijn vriend, mededeelde. Doch de Mytilenaeërs en de Atheners verzoende Periander, de zoon van Cypselus, want tot dezen als scheidsrechter hadden zij zich gewend; en hij verzoende hen aldus, dat ieder van hen het land zou bezitten, dat hij had.

96. Zoo dan was Sigeüm aan de Atheners geraakt. Doch toen Hippias uit Lacedaemon in Azië was gekomen, bewoog hij gansch het al: hij belasterde de Atheners bij Artaphrenes en deed alles, opdat Athene in de macht van hemzelf en van Darius zou komen; Hippias dan deed dit, en de Atheners vernamen het en zonden boden naar Sardes, daar zij de Perzen de verbannen Atheners niet wilden laten gelooven. Doch Artaphrenes beval hen, als zij veilig wilden zijn. Hippias weder bij zich te ontvangen. Doch geenszins namen de Atheners de teruggebrachte woorden aan; en daar zij ze niet aannamen, was het voor hen een besloten zaak openlijke vijanden van de Perzen te zijn.

  1. Beroemd lyrisch dichter van Lesbos, overigens als een dapper man bekend.