brand of op andere wijze ter aarde gebracht hebben, en hoopen een heuvel op en houden allerlei kampspelen, waarbij de grootste prijzen gegeven worden voor de tweegevechten, al naar hun beteekenis. Zoo dan is de begrafenis der Thraciërs.
9. Over het land nog verder dan dat naar den noordewind gelegen kan niemand nauwkeurig berichten, welke menschen daar wonen, doch aan de overzijde van de Ister schijnt het land een woestijn te zijn, en zonder einde. Ik kan als de eenige bewoners over de Ister van menschen vernemen, die den naam Sigynners hebben, en Medische kleedij dragen. Hun paarden zouden over het gansche lichaam dichtharig zijn, met haren van vijf vingers lengte; zij zijn klein en stompneuzig en te zwak om mannen te dragen, doch, aan een wagen gespannen, zijn zij zeer snel, en daarom rijden de inboorlingen met den wagen. Hun gebied zoude reiken tot dicht bij de Veneters[1] aan de Adriatische zee. En men zegt, dat zij een nederzetting van de Meden zijn. Hoe zij een nederzetting van de Meden kunnen zijn, kan ik wel niet inzien, doch in den langen loop der tijden kan alles gebeuren. Sigynners nu, dat weet ik, heeten bij de Liguriërs, die boven Massalië wonen, de kramers, en bij de Cypriërs de speeren.
10. Naar de Thraciërs beweren, hebben bijen de overkant van de Ister in bezit, en door dezen zou het niet mogelijk zijn verder door te dringen. Maar als zij dat zeggen, komen zij mij voor geenszins iets waarschijnlijks te zeggen; want die dieren zijn, zooals men weet, bang voor de koude; doch ik houd het land, onder den Beer gelegen, voor onbewoonbaar door de koude. Dat nu wordt over dat land verhaald; Megabazus dan
- ↑ Verg. I. 196.