97. Terwijl zij dit besloten en bij de Perzen belasterd werden, juist op dat oogenblik kwam de Milesiër Aristagoras, door Cleomenes, den Lacedaemoniër, uit Sparta verdreven, in Athene, want deze stad was verreweg de machtigste onder de overigen. En in de volksvergadering opgetreden zeide Aristogoras hetzelfde als in Sparta, over de schatten in Azië en over het oorlogvoeren van de Perzen, dat zij noch schild noch lans gebruikten en gemakkelijk te overwinnen zouden zijn. Dit dan zeide hij en daarbij dit, dat de Milesiërs een nederzetting van de Atheners waren, en dat het billijk was zoo dezen, van zulk een macht, hen redden, en niets was er, dat hij niet beloofde en hij smeekte hevig, tot hij hen overreedde. Want het scheen gemakkelijker te zijn velen te bedriegen dan éénen, daar hij toch Cleomenes, den Lacedaemoniër, die alleen was, niet kon bedriegen, maar drie tienduizenden van de Atheners dat wel deed. De Atheners dan lieten zich overreden en namen het besluit twintig schepen tot hulp aan de Ioniërs te zenden, en zij benoemden tot aanvoerder daarvan Melanthius, een alleszins gezien man onder de burgers; deze schepen nu waren de aanvang van rampen èn voor de Hellenen en voor de barbaren.
98. Aristagoras voer vooruit weg en in Miletus gekomen, dacht hij een plan uit, waarvan de Ioniërs gansch geen voordeel zouden hebben, en zelfs deed hij het niet dààrom, doch om koning Darius te kwellen: hij zond een man naar Phrygië tot de Paeoniërs, — die van den rivier de Strymon als krijgsgevangenen door Megabazus weggerukt waren, en in Phrygië een streek en een dorp onder elkander bewoonden —, welke bode, toen hij bij de Paeoniërs gekomen was, het volgende zeide: „ Mannen Paeoniërs, mij zond Aristagoras, de heerscher van Mile-