tus, om u een middel tot redding aan te geven, als ge hem volgen wilt. Want nu is geheel Ionië tegen den koning opgestaan, en u staat het vrij behouden naar uw eigen land te komen tot aan de zee nu moet gij zelf, doch daarna zullen wij er voor zorgen." De Paeoniërs hoorden dit en hielden het voor een groot geluk en zij namen hun vrouwen en kinderen mede en vluchtten naar de zee; sommigen echter van hen vreesden en bleven daar. En toen de Paeoniërs bij de zee waren gekomen, staken zij van daar naar Chius over. En zij waren reeds in Chius en vlak op den voet kwam een groote menigte ruiters van de Perzen aanzetten de Paeoniërs achterna. Toen zij genen niet aantroffen, meldden zij naar Chius aan de Paeoniërs, dat zij terug zouden komen. Doch de Paeoniërs namen het bevel niet aan, maar de Chiërs brachten hen van Chius naar Lesbos, de Lesbiërs naar Doriscus[1] en van daar begaven zij zich te voet naar Paeonië.
99. Aristagoras, toen de Atheners met twintig schepen gekomen waren, en vijf triremen medebrachten van de Eretriërs, — die niet ter wille van de Atheners medetrokken, doch van de Milesiërs, om een ouden schuld aan hen te betalen: want de Milesiërs hadden vroeger toch de Eretriërs den krijg tegen de Chalcidiërs helpen voeren, in den tijd toen de Samiërs de Chalcidiërs tegen de Eretriërs en de Milesiërs te hulp kwamen —, toen dezen dan gekomen en ook de andere bondgenooten op de plaats waren, begon Aristagoras den tocht naar Sardes. Hij zelf nu trok niet mede maar bleef in Miletus, en anderen benoemde hij tot veldheeren over de Milesiërs, zijn eigen
- ↑ Een plaats in Thracië.