Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen II (vert. v. Deventer 1893).pdf/62

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

broeder Charopinus en uit de andere burgers Hermophantus.

100. De Ioniërs met deze vloot in Ephesus gekomen, lieten de schepen in het Ephesische Coresus, en zelf trokken zij met een groote macht het land in en namen Ephesiërs tot gidsen. Zij trokken langs de rivier de Caystrius, en vervolgens, den Tmolus overgeklommen, kwamen zij in Sardes en namen het zonder dat iemand hen weerstond, en behalve den burcht namen zij al het andere; doch den burcht verdedigde Artaphrenes zelf met een niet geringe macht van mannen.

101. Dat zij de stad plunderden na de inneming, daarin weerhield hen het volgende. In Sardes waren de meeste huizen van riet, en zooveel er ook van baksteen waren, die hadden toch daken van riet. Toen nu een daarvan door soldaten in brand werd gestoken, ging het vuur terstond van huis tot huis en greep de geheele stad aan. Toen de stad brandde, liepen de Lydiërs en alle Perzen, die in de stad waren en aan alle kanten omringd, daar het vuur de uiterste zijden der stad aangegrepen had en zij geen uitweg uit de stad hadden, — daarom liepen zij te samen op de markt en bij de rivier de Pactolus, die, hun het goudzand van den Tmolus afvoerende, midden door de markt stroomt en dan in de rivier de Hermus valt, en deze weder in zee, — bij deze Pactolus dan en op de markt verzamelden zich de Lydiërs en de Perzen en waren gedwongen zich te verdedigen. Doch de Ioniërs ziende, dat het eene deel der vijanden zich te weer stelde, en een ander in groote menigte aankwam, vreesden en weken naar den dus geheeten berg Tmolus, en van daar trokken zij in den nacht naar de schepen terug.

102. Sardes dan brandde af en daarin ook de tem-