af te vallen, en thans, nu hij den opstand der Ioniërs vernam, drong hij zeer sterk aan, doch toen hij Gorgus niet overreedde, lette Onesilus nauwkeurig op, dat gene de stad der Salaminiërs uitging, en met hulp van zijn aanhangers sloot hij hem van de poort af. Gorgus dan van de stad beroofd, vluchtte naar de Meden, doch Onesilus heerschte over Salamis en overreedde alle Cypriërs op te staan; de anderen nu overreedde hij, maar de Amathusiërs, die hem niet volgen wilden, voor hun stad sloeg hij het beleg.
105. Onesilus dan belegerde Amathus. Toen aan koning Darius bericht werd, dat Sardes door de Atheners en de Ioniërs veroverd en verbrand was en dat Aristagoras de Milesiër, leider der onderneming en de bewerker geweest was, vroeg hij eerst, naar men zegt, toen hij dat vernam, zonder zich om de Ioniërs te bekommeren, wel wetend, dat dezen niet ongestraft zouden zijn opgestaan, vroeg hij dan wie de Atheners waren; daarna, toen hij het vernomen had, verlangde hij zijn boog en hij nam hem en legde een pijl er op en schoot dien omhoog naar den hemel, en als hij hem de lucht inzond, zeide hij: „O Zeus, moge ik mij wreken op de Atheners." En dit zeide hij en beval aan een van zijn dienaars, als hij den maaltijd nam, telkens driemaal te roepen: „Heer, gedenk de Atheners."
106. Toen hij dit had opgedragen, ontbood hij Histiaeus den Milesiër voor zijn aangezicht, dien Darius reeds geruimen tijd bij zich had gehouden, en zeide: „Ik verneem. Histiaeus, dat uw plaatsvervanger, wien gij Miletus hebt toevertrouwd, erge dingen tegen mij heeft verricht. Want hij heeft mannen uit het andere vaste land tegen mij hierheen gevoerd en met hen de Ioniërs, die boeten zullen voor wat zij deden; dezen heeft hij bepraat genen te volgen en mij van Sardes beroofd. Nu dan, schijnt