u dat wel wel te zijn als het hoort? En hoe kan zoo iets geschied wezen zonder uw raad? Zie toe, dat ge niet naderhand u zelf aan te klagen hebt."
Daarop antwoordde Histiaeus: „koning, welk woord hebt ge daar geroepen? Zou ik een daad aanraden, waaruit u eenige last, of groot of klein, groeien zou? Wat zou ik met zulk een handeling beoogen kunnen, en wat heb ik noodig? Ik heb toch alles, wat ook gij hebt en al uw plannen word ik waardig gekeurd te vernemen. Doch als dan mijn plaatsvervanger zoo iets doet, als gij gezegd hebt, weet dan, dat hij dat op eigen hand ondernomen heeft. Doch ik neem het bericht gansch niet aan, dat de Milesiërs en mijn plaatsvervanger iets ergs tegen uw macht mochten vóór hebben. Doch als zij zoo iets doen en gij de waarheid vernomen hebt, o koning, zie dan in, wat gij gedaan hebt, toen gij mij van de zee wegruktet. Want de Ioniërs schijnen, toen ik uit hun oogen ben gegaan, gedaan te hebben wat zij reeds lang begeerden, doch toen ik in Ionië was, zou geen enkele stad hebben durven bewegen. Nu daarom, laat mij ten spoedigste naar Ionië trekken, opdat ik alles weder in den ouden toestand breng en ik den plaatsvervanger in Miletus, die dat heeft aangelegd, in uw handen overlever. Heb ik dat naar uw wensch volbracht, dan zweer ik bij de koninklijke goden het kleed, waarin ik naar Ionië ga, niet eerder uit te trekken vòòr ik Sardo[1], het grootste eiland, u schatplichtig heb gemaakt!"
107. Histiaeus zoo sprekende bedroog genen, doch Darius liet zich bepraten en zond hem heen en droeg hem op, als hij het beloofde volbracht had, weder tot hem te Susa te komen.
- ↑ O. i. Sardinië.