108. Terwijl het bericht over Sardes tot den koning kwam en Darius dat met den boog deed en met Histiaeus sprak en Histiaeus door Darius gezonden naar de zee trok, in al dien tijd geschiedde het volgende. Toen Onesilus de Salaminiër de Amathusiërs belegerde, ontving hij bericht, dat Artybius, een Pers, een groot leger op schepen aanvoerde en in Cyprus verwacht werd. Onesilus vernam dit en zond boden naar alle plaatsen van Ionië en riep hen op, en de Ioniërs overwogen niet lang, doch kwamen met een groote vloot. De Ioniërs dan waren te Cyprus gekomen en de Perzen, met schepen uit Cilicië overgestoken, trokken te voet naar Salamis, doch de Pheniciërs voeren met de schepen het voorgebergte om, dat de Sleutels van Cyprus heet.
109. Toen dit zoo geschiedde, riepen de heerschers van Cyprus de veldheeren der Ioniërs bijeen en zeiden: Mannen Ioniërs, wij geven u de keuze, wie van beiden gij aanvallen wilt, de Perzen of de Pheniciërs. Want indien gij te land geschaard met de Perzen kampen wilt, dan is het tijd uit de schepen te gaan en u te land te scharen, en wij moeten onze schepen bestijgen om tegen, de Pheniciërs te strijden; wilt gij echter u liever met de Pheniciërs meten —, doch wat van beiden ge ook kiezen moogt, gij moet maken dat, voor zoover het van u afhangt, Ionië en Cyprus vrij zullen zijn." Hierop antwoordden de Ioniërs: „ons heeft de bond der Ioniërs gezonden om de zee te bewaken, maar niet om de schepen aan de Cypriërs te laten en zelf te land de Perzen te bestrijden. Waarvoor wij bevelen hebben, daarin zullen wij trachten dapper te wezen; doch gij moet, indachtig wat gij als slaven van de Meden geleden hebt, flinke mannen zijn."
110. De Ioniërs nu antwoordden dit; en daarna, toen