Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen II (vert. v. Deventer 1893).pdf/67

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

de Perzen in de vlakte der Salaminiërs kwamen, schaarden de vorsten der Cypriërs de andere Cypriërs tegenover de andere soldaten, doch het beste deel van de Salaminiërs en de Soliërs kozen zij uit en plaatsten dat tegenover de Perzen, en tegenover Artybius, den aanvoerder der Perzen, plaatste Onesilus uit eigen beweging zich zelf.

111. Artybius bereed een paard, dat geleerd had tegenover een zwaar gewapende rechtop te gaan staan. En toen Onesilus dat vernam, en daar hij als schilddrager een Cariër van afkomst had, zeer bekwaam in oorlogszaken en verder vol moed, zeide hij tot hem: „ ik verneem dat Artybius' paard rechtop gaat staan en met pooten en bek ieder aanvalt, tegen wien het gedreven wordt. Ga gij nu na en zeg mij terstond, wien van beiden gij beloeren wilt en treffen, het paard of Artybius zelf." Daarop zeide zijn dienaar: „o koning, ik ben bereid zoowel beiden als één van beiden te doen, en alles wat gij opdraagt. Doch wat mij in uw geval het voordeeligst schijnt te zijn, zal ik zeggen. Een koning en een veldheer moet, beweer ik, een koning en een veldheer aangrijpen. Want als gij den veldheer velt, dan is dat iets groots, en ten tweede, als hij u velt, wat niet gebeuren moge, dan is het slechts een half onheil om zelf te sterven door een waardigen; wij dienaars moeten met andere dienaren strijden en tegen het paard; en de kunsten daarvan vrees die niet, want ik beloof u, dat het nooit meer tegenover een man zal gaan staan."

112. Dit zeide hij en terstond grepen de legers, te land en ter zee, elkander aan. Ter zee nu muntten de Ioniërs dien dag uit en overwonnen de Pheniciërs, en onder hen blonken de Samiërs uit; en te land, zoodra de legers elkander genaderd hadden, vielen zij op elkander