werd Helleen, maar de voorouders van Perseus waren dat niet. Doch de vaders van Acrisius, die gansch geen verwantschap met Perseus hadden, deze, naar de Hellenen zeggen, waren Egyptenaars geweest.
55. En dit nu moge daarover gezegd wezen. En dat zij ofschoon Egyptenaars, en voor welke diensten zij de rijken der Doriërs kregen, dat, want anderen hebben daarover reeds gesproken, dat zullen wij voorbijgaan; doch wat de anderen niet in bezit namen, daarvan zal ik melding maken.
56. De volgende eererechten dan hebben de Spartanen aan hun koningen gegeven: twee priesterambten, van Zeus Lacedaemon en Zeus Uranius, en ook om oorlog te voeren tegen welk land zij willen, en geen der Spartanen mag hen daarin verhinderen, anders wordt hij door den vloek getroffen; bij den veldtocht moeten de koningen de eersten zijn die gaan, de laatsten die terugkomen. Honderd uitgekozen mannen zijn hun wacht in het veld; schapen mogen zij bij den veldtocht gebruiken om te offeren, zooveel als zij willen, en van alle geofferde dieren zelf het vel en de rug nemen.
57. Dit nu is in den oorlog, doch het volgende in den vrede hun geschonken. Wanneer er een staatsoffer wordt verricht, hebben de koningen bij het maal de eerste plaats, en bij hen beginnen de dienaars en geven ieder van beiden van alles dubbel zooveel als aan de andere dischgenooten; en zij plengen het eerst en krijgen het vel der geofferde dieren. Bij iedere nieuwe maan en den zevenden dag van de heerschende maan wordt aan ieder van beiden van staatswege een volwassen offerdier gegeven in den tempel van Apollo en een schepel gerstemeel en een laconische vierdemaat wijns, en bij alle wedkampen hebben zij uitgekozen eereplaatsen. En hun is de macht tot