Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/103

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Sardes en belegerde Tabalus, die opgesloten was in de burcht.

155. Toen Cyrus dit op zijn tocht vernam sprak hij tot Crėsus het volgende: „Cresus, wat zal het einde van die dingen nog wezen? De Lydiërs, naar het schijnt, zullen niet ophouden mij last aan te doen en ook zichzelven. Ik vrees, het zal het best zijn hen slaven te maken. Want nu kom ik mij voor gedaan te hebben, evenals iemand, die den vader doodt en de kinderen spaart. Want zoo heb ik u, nog wat meer dan een vader, van de Lydiërs weggevoerd, en aan de Lydiërs zelf de stad gegeven, en daarna sta ik verbaasd, dat zij tegen mij opstaan." Hij nu zeide, wat hij ook in den zin had, doch de ander, vreezende dat hij Sardes geheel verwoesten zou, antwoordde het volgende: „O koning, gij zegt dat met reden, doch geef niet geheel toe aan uw toorn, en verwoest niet een oude stad, die onschuldig is èn aan wat vroeger geschiedde en aan de gebeurtenis van thans; want het vroegere heb ik verricht en draag ik op mijn hoofd, en in de laatste zaak, daarin toch is Pactyes de misdadiger, wien gij Sardes hebt toevertrouwd: laat hem dan boeten. Doch vergeef den Lydiërs en beveel hen dit, opdat zij niet meer opstaan, noch u gevaarlijk zijn zullen; zend een bevel tot hen dat zij geen krijgswapenen meer bezitten mogen; beveel hen lijfrokken onder de mantels te dragen, en hooge schoenen aan de voeten te binden; beveel hen ook hun zonen op te voeden in spel van cither en harp en kramerijen. En zoo, o koning, zult ge hen spoedig als vrouwen in plaats van mannen zien, zoodat zij u geenszins meer vrees zullen geven, voor een opstand."

156. Cresus wierp dit plan op, oordeelende dat dit toch verkieslijker was voor de Lydiërs dan als slaven