had, legde hij dan aarden werken aan tegen de muren en belegerde. En het eerst in Ionië greep hij Phocaea aan.
163. Deze Phocaëers waren de Hellenen, die het eerst groote zeetochten maakten, en zij zijn het, die de Adriatische zee en Tyrsenië en Iberië en Tartessus ontdekten. Zij maakten hun tochten met vijftigriemers en niet met ronde schepen[1]. En in Tartessus gekomen, werden zij bevriend met den koning der Tartessiërs, wiens naam Arganthonius was, die tachtig jaren over Tartessus heerschte, en in 't geheel honderd en twintig jaar leefde. Met dezen man werden de Phocaeërs dan zoo bevriend, dat hij hen eerst noodigde om Ionië te verlaten en in zijn land te wonen, waar zij wilden, en daarna, toen hij daarin de Phocaeërs niet overreed had, en hij vernam dat de Meden bij hen machtig waren geworden, gaf hij hun geld om een muur om de stad te leggen. En hij gaf rijkelijk, want niet weinig stadiën is de omtrek van den muur, en geheel van groote steenen, en die goed aaneengesloten, is hij gemaakt.
164. Op die wijze dan werd de muur door de Phocaeërs gebouwd, en toen Harpagus zijn leger tegen hen aanvoerde, belegerde hij hen, en verklaarde, dat het hem genoeg zou zijn, als de Phocaeërs slechts één borstwering van den muur wilden omver halen en één enkel huis den koning wijden. De Phocaeërs in onwil tegen de slavernij, zeiden één dag te willen overwegen en dan te zullen antwoorden. En zoolang zij beraadslaagden, verzochten zij hem zijn leger van den muur weg te voeren. En Harpagus zeide wel te weten, wat zij doen wilden, maar toch hun de beraadslaging toe te staan. En toen dan Harpagus met zijn leger van den muur was weggetrokken, in dien tijd brachten de Phocaeërs de vijftigriemers in zee, en plaatsten daarin kinderen en vrouwen
- ↑ d. i. koopvaardijschepen.