Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/108

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

en al hun vervoerbare have, bovendien ook de godenbeelden uit de tempels en de andere wijgeschenken, behalve wat koper was of steen of geschilderd; en alle andere dingen er in brengend en er zelf instijgend voeren zij naar Chios; en het van menschen verlatene Phocaea bezetten de Perzen.

165. Doch de Phocaeërs, toen de Chiërs hun de Oenussae geheetene eilanden niet voor geld wilden verkoopen, uit vrees, dat dezen een handelsplaats zouden worden, en hun eigen eiland daardoor van den handel uitgesloten, daarop dan trokken de Phocaeërs naar Cyrnus[1]. Want op Cyrnus hadden zij twintig jaren vroeger om een godspraak een stad opgericht, wier naam Alalia was. Arganthonius was nu reeds dood. Op dezen tocht naar Cyrnus keerden zij eerst naar Phocaea terug en doodden de perzische bezetting, die van Harpagus de stad ter bewaking had ontvangen, en daarna, toen zij dit verricht hadden, zwoeren zij verschrikkelijke verwenschingen voor hem, die van den tocht zou wegblijven. Bovendien lieten zij een grooten klomp ijzer in de zee zinken, en zwoeren niet eerder naar Phocaea te gaan, vóór die klomp weder te voorschijn gekomen was. Maar toen zij naar Cyrnus voeren, werd de helft der burgers door verlangen en smart over de stad en hun woonplaatsen in het land aangegrepen, zij schonden hun eed en voeren weder terug naar Phocaea. De anderen echter hielden hun eed, braken op van de Oenussae en stevenden verder.

166. Toen zij in Cyrnus waren gekomen, woonden zij vijf jaren lang met de vroeger aangekomenen, en bouwden tempels. En zij roofden en plunderden dan toch al hun buren, daarom trokken in gemeenschaplijk overleg de Tyrseniërs en de Carthagers ieder met zestig schepen

  1. d. i. Corsica.