op het eiland van dien naam. Zoo ging het dan met Phocaea in Ionië.
168. Bijna hetzelfde als dezen deden ook de Teiërs; want toen Harpagus door zijn aarden werken hun vesting genomen had, bestegen zij hun schepen en stevenden weg naar Thracië; en daar stichtten zij de stad Abdera, die vóór hen Timasius de Clazomeniër stichtte zonder voordeel, want de Thraciërs verdreven hem-en nu wordt hij door de Teiërs in Abdera als een heros vereerd.
169. Dezen nu alleen onder de Ioniërs, wijl zij de slavernij niet verdragen wilden, verlieten hun vaderland, doch de andere Ioniërs, behalve de Milesiërs, geraakten met Harpagus in strijd, evenals de uitgewekenen, en gedroegen zich als dappere mannen ieder voor zijn eigen land strijdende; doch zij werden overwonnen en onderworpen, en bleven ieder in hun eigen streek en volbrachten, wat hun opgelegd werd. De Milesiërs evenwel, zooals ik reeds vroeger gezegd heb, hadden met Cyrus zelf een verbond gesloten en bleven in rust. Zóó dan werd Ionië voor de tweede maal tot slavernij gebracht. Toen Harpagus de Ioniërs op het vaste land onderworpen had, vreesden de Ioniërs op de eilanden hetzelfde lot en gaven zich aan Cyrus.
170. Toen de Ioniërs onderdrukt werden doch niet minder in het Panionion bijeenkwamen, verneem ik dat Bias, een man uit Priëne, aan de Ioniërs een allerheilzaamsten raad heeft gegeven, door welken, als zij hem hadden opgevolgd, zij de gelukkigsten van alle Hellenen hadden kunnen worden; daar hij toch de Ioniërs ried gemeenschaplijk op te breken en naar Sardo[1] te stevenen, en dan één stad voor alle Ioniërs te stichten, en
- ↑ d. i. Sardinië.