zoo zouden zij, van de slavernij bevrijd, gelukkig zijn in bezit van het grootste aller eilanden en heerschen over de andere bewoners van het eiland; doch bleven zij in Ionië, dan zag hij niet, zei hij, hoe zij ooit vrij zouden worden. Dit was de raad van Bias den Priëniër aan de Ioniërs, toen zij reeds in het ongeluk waren; goed was ook vóór de vernietiging van Ionië de raad van Thales, den Milesiër, van afkomst een Phoeniciër, die de Ioniërs aanried een bondsvergadering in te voeren, en dat die in Teos zou zijn, want Teos was het midden van Ionië. En dat de andere steden niet minder als zelfstandige gemeenten zouden beschouwd worden, even alsof zij Demen[1] waren.
171. Dezen dan hadden zulke voorslagen gedaan, doch Harpagus, Ionië onderworpen hebbend trok op tegen de Cariërs en de Cauniërs en de Lyciërs, en voerde de Ioniërs en de Aeoliërs met zich. Van deze volken zijn de Cariërs uit de eilanden op het vaste land gekomen, want, oudtijds onderdanen van Minos en Lelegers geheeten, bezaten zij de eilanden, doch brachten geen schatting op voor zoover ik in staat ben door de overlevering in het verledene te dringen: wanneer evenwel Minos het eischte bemanden zij zijn schepen. En wijl Minos veel land onderworpen had en voorspoedig geweest was in den strijd, was het carische volk in dien zelfden tijd verreweg het belangrijkste van alle volkeren. En er werden door hen drie uitvindingen gedaan, die de Hellenen overnamen; want de Cariërs zijn het die verzonnen hebben vederbossen op de helmen te zettten en op de schilden teekens te maken, en zij ook hebben het eerst handvatsels aan de schilden gemaakt; vóór dien tijd toch droegen allen, die gewoon waren schilden
- ↑ Demen waren afdeelingen van Athene.