te gebruiken, de schilden zonder handvatsel, terwijl zij ze met lederen riemen bestuurden, die zij om den nek en den linker schouder sloegen. Daarna, in veel lateren tijd, verdreven de Doriërs en de Ioniërs de Cariërs uit de eilanden, en zoo kwamen zij op het vaste land. Zoo dan zeggen de Creters dat het met de Cariërs gegaan is; de Cariërs zelven echter vallen hen geenszins bij, doch achten zich zelven oorspronkelijke bewoners van het vaste land, en beweren dat zij altijd den zelfden naam als nu gehad hebben. En als bewijs toonen zij in het gebied der Mylasiërs een ouden tempel van den Carischen Zeus, waaraan ook de Mysiërs en de Lydiërs als broeders van de Cariërs aandeel hebben: want zij beweren dat Lydus en Mysus broeders van Car waren. Dezen dus hebben aandeel aan den tempel, doch allen die van een ander volk zijn, ofschoon van de zelfde taal als de Cariërs, hebben geen aandeel.
172. De Cauniërs zijn, naar mij voorkomt, oorspronkelijke bewoners, zelf echter beweren zij Creters te zijn. Doch in hun taal hebben zij zich bij de Cariërs aangesloten, of de Cariërs bij de Cauniërs (want dat kan ik niet met zekerheid uitmaken); zij leven evenwel onder zeden die sterk afwijken van die der andere menschen en ook van de Cariërs. Want bij hen geldt het voor zeer betamelijk om in menigte, volgens leeftijd en vriendschap, tot drinkgelag bijeen te komen, zoowel voor mannen als vrouwen en kinderen. Eerst hadden zij tempels opgericht voor buitenlandsche goden; later evenwel, toen zij van meening veranderden (zij besloten alleen de vaderlandsche goden te dienen), toen grepen alle weerbare Cauniërs de wapenen, en de lucht met hun speeren slaande trokken zij door tot het calyndische gebied, en beweerden de vreemde goden uit te drijven.