inspanning, terwijl zij een berg versterkten, wiens naam Lida is.
176. De Pedaseërs nu werden na eenigen tijd overwonnen, en de Lyciërs, toen Harpagus zijn leger in de xanthische vlakte voerde, trokken tegen hem op en, weinigen tegen velen strijdend, verrichtten zij dappere daden; doch overwonnen en in de stad teruggeworpen brachten zij in den burcht hun vrouwen en kinderen bijeen en hun goed en hun slaven, en daarna staken zij den burcht in brand en hij brandde geheel af. Dit deden zij dan, en zij zwoeren schrikkelijke eeden, en alle Xanthiërs trokken uit en vielen in den strijd. Van de nu levende Lyciërs, die zich Xanthiërs noemen, zijn de meesten vreemdelingen, op tachtig geslachten na; deze tachtig geslachten waren op dien tijd buiten de stad en bleven zoo behouden. Zoo geraakte Harpagus in bezit van Xanthus en bijna op de zelfde wijze veroverde hij Caunos; want de Cauniërs volgden de Lyciërs grootendeels na.
177. Het benedengedeelte van Azië onderwierp Harpagus dan, doch het hooge Cyrus zelf, terwijl hij volk voor volk onderwierp en geen enkel oversloeg. De meesten van hen zullen wij voorbijgaan, doch die hem de meeste moeite gaven en het merkwaardigste zijn, die zal ik vermelden.
178. Toen Cyrus het gansche vaste land onderworpen had, viel hij de Babyloniërs aan. In Assyrië zijn vele andere groote steden, doch de meest vermaarde en sterkste, en waar na de verwoesting van Ninus[1] de regeering gevestigd was, was Babylon, zijnde een stad van ongeveer deze geaardheid. Zij ligt in een groote vlakte, en is aan iedere zijde honderd en twintig stadiën groot,
- ↑ d. i. Niniveh.