Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/116

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

terwijl zij een vierkant vormt; deze stadiën van den omtrek der stad zijn te samen vierhonderd en tachtig. De grootte van de stad Babylon is nu zoo, en zij was versierd als geen andere stad, die wij kennen. Vooreerst omloopt haar een gracht, breed en diep en vol water; vervolgens is er een muur, vijftig koninklijke ellen[1] in breedte en in hoogte tweehonderd ellen. De koninklijke el is drie vingers grooter dan de gewone.

179. Ik moet nu daarbij verhalen, waartoe de aarde uit de gracht gebruikt werd, en op welke wijze de muur gebouwd was. Terwijl zij de gracht groeven, maakten zij tegelijk tegels van de aarde, die uit de gracht gedragen werd, en toen zij genoeg tegels gekneed hadden, bakten zij ze in ovens. Daarna namen zij heeten aardpek als cement en stopten tusschen iedere dertig rijen van baksteenen rieten horden en trokken zoo eerst de randen van de gracht op, en daarna den muur zelf op de zelfde wijze. Boven op den muur aan beide randen bouwden zij huisjes van één vertrek, op elkander uitziende; en tusschen die gebouwtjes door lieten zij een rijweg voor een vierspan. Er waren honderd poorten in den muur, allen van metaal, en zoo ook de posten en de sluitbalken. Er is een andere stad, een achtdaagsche reis van Babylon verwijderd, Is geheeten. Daar is een niet groote rivier, en die rivier heet eveneens Is. Deze werpt haar water in de rivier Euphrates. Deze rivier Is nu levert tegelijk met haar water veel klompen aardpek, vanwaar de aardpek naar de muur van Babylon gebracht werd.

180. Babylon werd dan op zulk een wijze ommuurd, doch er zijn twee deelen van de stad. Want midden door haar heen loopt een stroom, wiens naam Euphrates is; hij

  1. Een perzische lengtemaat.